De Eed van Hippocrates: wat er werkelijk in staat (en waarom niemand precies weet wie hem schreef)

“Ik zal doen wat goed is en niet schaden.” Vrijwel iedereen kent een versie van die zin, toegeschreven aan Hippocrates, nog steeds aangehaald als het fundament van de medische ethiek. Maar wie het origineel erbij pakt, zoals in deze negentiende-eeuwse bundeling van de geschriften van Hippocrates en Galenus, komt iets anders tegen dan verwacht.

Wat er echt in staat

De eed opent niet met een principe, maar met een aanroeping: Apollo, Asclepius, Hygieia, Panacea en alle goden worden als getuige opgeroepen. Wat volgt is vooral een reeks concrete, beroepsmatige toezeggingen. Een arts belooft zijn leermeester te behandelen als een ouder en diens kinderen als broers en zussen, hen kosteloos les te geven. Hij belooft patiënten nooit dodelijke middelen te geven, ook niet als daarom gevraagd wordt, en geen middel te verstrekken dat een zwangerschap beëindigt. Chirurgische ingrepen zoals blaasstenen verwijderen laat hij over aan specialisten die daarvoor zijn opgeleid. Hij belooft geheimhouding over wat hij in huizen van patiënten ziet en hoort.

Van het bekende “eerst niet schaden” staat er in deze formulering zo weinig letterlijk als je zou verwachten. Dat kernachtige Latijnse “primum non nocere” komt in de eed zelf niet voor, het is een latere samenvatting van de geest van de tekst, geen citaat eruit.


Titelpagina van The Writings of Hippocrates and Galen, 1846
Omslag van “The Writings of Hippocrates and Galen”, bewerkt door John Redman Coxe, 1846. Bron: Internet Archive / National Library of Medicine.

Wie schreef hem eigenlijk?

Interessanter nog is wat de negentiende-eeuwse bewerker van deze bundel, John Redman Coxe, zelf opmerkt. Hij twijfelt hardop of Hippocrates de eed wel geschreven heeft. Zijn argument: in een ander traktaat dat aan Hippocrates wordt toegeschreven, “De natura pueri”, begeleidt de auteur zelf een vrouw bij het beëindigen van een zwangerschap, iets wat de eed juist categorisch verbiedt. Als één man beide teksten schreef, zou hij zichzelf openlijk hebben tegengesproken. Coxe citeert ook andere geleerden die vermoeden dat de eed pas na Hippocrates’ tijd is opgesteld, mogelijk door een van zijn latere volgelingen.

Van de ongeveer zeventig geschriften die ooit onder Hippocrates’ naam circuleerden, worden er volgens deze bundel maar twaalf tot veertien met enige zekerheid aan hemzelf toegeschreven. De rest komt van zijn zoon, schoonzoon, of van auteurs die voor of na hem leefden. De eed zelf, het bekendste stuk van allemaal, hoort daar mogelijk niet eens bij.

Waarom dat ertoe doet

Dat is geen pietluttigheid over auteurschap. Het laat zien dat zelfs de meest geciteerde, meest gezaghebbende tekst uit de geschiedenis van de geneeskunde is opgebouwd uit lagen: een kern van praktijkregels, aangroeiende interpretaties, en een populaire samenvatting die inmiddels bekender is dan de brontekst zelf. “Hippocrates zei het” is op zichzelf al eeuwenlang genoeg geweest om een claim gezag te geven, ook wanneer niemand meer precies wist wélke Hippocrates, of welke van de zeventig teksten, bedoeld werd.

Het is een patroon dat verderop in deze reeks nog vaker terugkomt: een naam of traditie die autoriteit verleent, los van de vraag of de tekst die eraan wordt toegeschreven, houdbaar is.

Bron: J. R. Coxe, “The Writings of Hippocrates and Galen: Epitomised from the Original Latin Translations”, Lindsay and Blakiston, Philadelphia, 1846.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Scroll naar boven