Stel je voor dat één arts, geboren in de tweede eeuw na Christus, tot ver in de zestiende eeuw vrijwel onweersproken gezag had over alles wat westerse dokters over het lichaam dachten te weten. Geen vakgebied, geen enkele beroepsgroep vandaag de dag heeft ook maar in de buurt van zo’n lange, ononderbroken dominantie van één individu. Dat overkwam de geneeskunde met Galenus, en het verhaal van hoe dat kon, is minstens zo leerzaam als zijn medische ontdekkingen zelf.

Een levenslang onderzoeksproject
Galenus werd rond 130 na Christus geboren in Pergamon, een stad met een beroemde tempel voor de geneeskundige god Asclepius. Zijn vader, een welgestelde architect en geleerde, gaf hem de beste leraren die er te vinden waren. Op zijn zeventiende begon Galenus aan de geneeskunde, en hij reisde er jarenlang voor rond: naar Alexandrië om te leren van de daar gevestigde wetenschap, naar Cilicië, Palestina, Kreta en Cyprus om geneesmiddelen uit die streken te bestuderen, naar het eiland Lemnos voor een bepaalde geneeskrachtige aarde die daar hoog aangeschreven stond, en naar Syrië voor balsemhars. Terug in Pergamon behandelde hij gewonde gladiatoren, waarbij hij ongeëvenaarde kennis van pezen en zenuwen opbouwde. Uiteindelijk vestigde hij zich in Rome, waar hij lijfarts werd van meerdere keizers, onder wie Marcus Aurelius.
Wat hij naliet was enorm: volgens deze bundel bijna zevenhonderd boeken en verhandelingen, waarvan er nog altijd honderden bewaard zijn gebleven, verspreid over zeven hoofdcategorieën die samen vrijwel het hele medische vakgebied van die tijd bestrijken.
Van gerespecteerd naar onaantastbaar
Het probleem zat niet in Galenus zelf, maar in wat er na hem gebeurde. Latere generaties artsen citeerden hem niet als één stem tussen vele, maar als laatste woord. De negentiende-eeuwse bewerker van deze bundel schrijft dat Galenus door sommige latere bewonderaars bijna als een god werd vereerd, en dat Arabische artsen als Avicenna zijn werk als vanzelfsprekend uitgangspunt namen. Twaalf eeuwen lang, schrijft hij, vormden Galenus’ geschriften de dominante bron van alle medische kennis in de westerse wereld.
Dat betekende ook dat wie Galenus tegensprak, niet de natuur tegensprak, maar een instituut. Toen de zestiende-eeuwse anatoom Andreas Vesalius via eigen ontleding ontdekte dat een deel van Galenus’ anatomische beschrijvingen simpelweg klopten voor apen en varkens, waarop Galenus zijn onderzoek grotendeels had gebaseerd, maar niet voor mensen, was dat geen kleine correctie. Het was een aardverschuiving, precies omdat er twaalf eeuwen lang niemand serieus de moeite had genomen om zelf te kijken.
De les die overblijft
Het interessante is dat Galenus zelf allesbehalve dogmatisch te werk ging. Hij reisde de wereld rond om zelf te observeren, ontleedde, testte, en schreef zijn conclusies zorgvuldig op. Zijn eigen werkwijze was, voor zijn tijd, opvallend empirisch. Wat er misging, gebeurde pas na zijn dood: zijn conclusies werden overgenomen als eindpunt, in plaats van als een stap in een doorlopend proces van navragen en narekenen.
Dat onderscheid is de kern van waar dit drieluik over Hippocrates en Galenus steeds weer op uitkomt. Een idee dat ooit zorgvuldig getoetst is, kan alsnog verstenen tot dogma zodra niemand meer de moeite neemt het opnieuw te toetsen. Autoriteit is geen vervanging voor verificatie, hoe overtuigend, geleerd of eeuwenoud die autoriteit ook is.
Bron: J. R. Coxe, “The Writings of Hippocrates and Galen: Epitomised from the Original Latin Translations”, Lindsay and Blakiston, Philadelphia, 1846.





