In 1909 schreef de Engelse arts R.O. Moon zijn boek The Relation of Medicine to Philosophy, met een grote claim: geneeskunde heeft nooit los gestaan van de filosofie van haar tijd. Elke periode van medische vooruitgang valt samen met een bepaalde manier van denken over lichaam, kennis en waarheid. Wat vandaag als “de wetenschap” geldt, is in werkelijkheid ook een filosofische keuze, alleen dan een die zichzelf niet meer als keuze herkent.
Een van de mooiste illustraties daarvan komt uit de geneeskunde ná Hippocrates, toen drie scholen streden om het gelijk.

Drie manieren om naar het lichaam te kijken
De Dogmatici zochten naar verborgen, onderliggende oorzaken van ziekte. Theorie eerst, waarneming later. Dit is de lijn waarin de moderne biomedische wetenschap staat, met haar moleculaire mechanismen en haar wantrouwen jegens alles wat zich niet in een cel of receptor laat aanwijzen.
De Empirici wantrouwden juist die verborgen theorieën. Zij bouwden hun kennis op uit herhaalde klinische waarneming. Wat werkt, telt, ook zonder een sluitend causaal verhaal erbij.
De Methodisten namen een geheel eigen positie in. Zij zagen het lichaam als een mechanisch systeem, waarbij ziekte zich uit in waarneembare toestanden zoals spanning of ontspanning. Ze zochten expliciet niet naar verborgen oorzaken, maar richtten zich op wat evident was aan structuur en functie. Hun behandeling bestond vooral uit fysieke, mechanische maatregelen, met grote terughoudendheid tegenover drastische middelen.
Osteopathie hoort in die laatste lijn thuis, aangevuld met de empirische houding van de tweede school. Een functioneel-mechanische blik op het lichaam, gecombineerd met kennis die groeit uit klinische waarneming in plaats van uit een verlangen om elk mechanisme moleculair te bewijzen voordat je mag behandelen. Dat is geen randpositie of pseudowetenschap. Het is een van de oudste, meest volgehouden tradities in de geneeskunde, ouder dan het biomedische model dat zich vandaag als de enige legitieme vorm van kennis presenteert.
De koerswijziging
En daar wringt iets. De huidige generatie beleidsmakers binnen de osteopathie lijkt dat pad steeds verder te verlaten. Niet uit onwil, maar uit een begrijpelijk verlangen naar erkenning: door zorgverzekeraars, door de reguliere geneeskunde, door een systeem dat legitimiteit alleen toekent aan wie zich naar zijn eigen dogmatische maatstaven laat meten.
Het probleem is dat je zo’n erkenning zelden krijgt zonder iets fundamenteels in te leveren. Wie wil aansluiten bij het heersende, dogmatische paradigma, moet zich ook naar de spelregels daarvan gaan gedragen: reductionistische bewijsvoering eisen voor iets dat zijn waarde juist ontleent aan een andere, functionele manier van kijken. Het gevolg is een vak dat steeds meer moeite doet zich te verantwoorden in een taal die niet de zijne is, en daarmee stap voor stap de eigen kern verliest.
Een historische waarschuwing
Het boek van Moon biedt daar ook een treffende parallel voor. In de negentiende eeuw probeerde de arts Rademacher, in zijn verlangen naar wetenschappelijke status, de geneeskunde te bevrijden van wat hij als bijgeloof beschouwde. Hij verwierp expliciet het idee van de vis medicatrix naturae, het zelfherstellend vermogen van het lichaam, en beschouwde een afwachtende, observerende behandelwijze als bijna immoreel. In plaats daarvan wilde hij specifieke middelen voor specifieke ziekten, met diagnose die achteraf werd bevestigd door het succes van het middel.
Het klinkt vooruitstrevend. Het was ook een vak dat zijn eigen fundament opgaf om zich naar een ander ideaal te voegen, en dat uiteindelijk in de vergetelheid raakte.
Dat is precies het risico wanneer osteopathie zich primair gaat verantwoorden tegenover zorgverzekeraars en de heersende biomedische denkwijze, in plaats van tegenover haar eigen uitgangspunten. Niet omdat samenwerking met de reguliere zorg verkeerd is, dat is het niet, maar omdat erkenning die alleen komt door het eigen kader op te geven, uiteindelijk een lege huls oplevert. Een osteopathie die zich verontschuldigt voor haar eigen methode in plaats van die methode helder te verantwoorden vanuit haar eigen traditie.
Wat er op het spel staat
Dit is geen pleidooi tegen wetenschappelijke onderbouwing. Juist een vak in de lijn van de Empirici hoort zijn waarnemingen serieus te toetsen. Maar toetsen vanuit de eigen premisse, dat structuur en functie elkaar beïnvloeden en dat het lichaam een zelfregulerend systeem is, is iets anders dan je eigen premisse inruilen voor die van een concurrerend model omdat dat nu eenmaal de dominante partij aan tafel is.
Een vak dat zijn eigen filosofische wortels kwijtraakt, verliest niet alleen zijn identiteit. Het verliest ook het enige dat het werkelijk iets toe te voegen geeft aan de zorg.
Bron: R.O. Moon, The Relation of Medicine to Philosophy (Longmans, Green and Co., 1909).





